Dodelijke selectie op Curaçao in WO II

Openbare begraafplaats Kolebra bèrdè / foto  ©  Aart G. Broek

In 1942 werden er op de openbare begraafplaats van Kas Chikitu, aan de rand van Willemstad, vijftien Chinese mannen begraven: naam­loos en ieder onder een kniehoge, genummerde paal. In het koloniale bestuursverslag van dat oorlogsjaar is aan de dood van deze mannen geen woord gewijd. Wel werd in alge­mene bewoording getekend wat tot hun levens­einde leidde, nl. werkweigering. 

door Aart G. Broek, bijdrage aan Antilliaans Dagblad, zaterdag 21 april 2018

Barak in kampement Suffisant, toentertijd aan de rand van de bebouwing van Willemstad.

‘Op de vloten van de Curaçaose Scheepvaart Maatschappij en van de Lago Ship­ping Company,’ zo verhaalt het Koloniaal Verslag, ‘deden zich in de maand Maart van het verslagjaar conflicten voor met Chinese bemanningsleden. Deze weigerden aanvankelijk te varen zon­der loons­verhoging en in uitzichtstelling van de uitkeringen bij ongeval, (…). Een 425-tal hunner, in hun weigering tot varen volhar­dende, moest gedurende enige maanden onder politiebewaking, met streng gecon­troleerde bewegingsvrijheid worden gesteld.’  

      Met ‘gecontroleerde bewegingsvrijheid’ werd feitelijk internering in barakken op terrein van de raffinaderij in Suffisant bedoeld. De Chinese zeelui zorgden – grotendeels onderdeks – voor het vervoer van de ruwe olie uit Venezuela naar Aruba en Curaçao voor raffinage tot de zo belangrijke brandstof voor oorlogvoering. Een ernstige botsing vond plaats op maandag 20 april 1942, toen verzet tegen de erbarmelijke gang van zaken leidde tot de dood van geïnterneerde Chinezen. De buitensporige bagatellisering in het formele bestuursverslag ver­doezelt de kritiek die verantwoorde­lijke bestuurders en directies kregen, meer in het bijzonder van de Staten van Curaçao (zoals de Antillen toen nog heetten).

Gaanderij van een van de barakken

STATENCOMMISSIE
Dit vertegenwoordigende orgaan formeerde een speciale com­missie die zich gede­tailleerd liet informeren en vervolgens scherpe kri­tiek formu­leerde. Leden van het Korps Militaire Politietroepen (KMP) vielen uitdrukkelijk buiten deze kritiek. De Statencommissie richtte haar pijlen op de Algemeen Militair Commandant (AMC) C.J. baron van Asbeck, de pro­cureur-generaal mr. Th. van der Laan, op gouverneur G.J.J. Wouters en op de directies van de Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij (CPIM) en Cura­çaose Scheepvaart Maatschappij (CSM). Zij waren de verantwoordelijke autoriteiten die hadden gefaald, waardoor uit­eindelijk Chinese zeelieden het leven lieten en er vele tientallen gewonden vielen, waaronder politiemannen.
      De commissie hekelde onder meer de wijze waarop over de betreffende Chine­zen werd gedacht door de CPIM directie, en citeerde uit een memorandum van de directie. Het gaat toch niet aan, zo stelde de Commissie, ‘hen op het niveau van verlorenen te plaatsen’ en vervolgens te vergeten ‘dat deze Chineezen nog altijd goed genoeg worden geacht om hun leven te wagen en zelfs te geven voor de oorlogvoering.’
      Zo gaf de eilandelijke bestuurlijke elite de moederlandse bestuur­ders en onderne­mers een flinke corrigerende tik. De politie deed op het ge­geven moment echter niet anders dan het eigen leven redden, zo meende de commissie, en trof geen blaam. Wát er was gebeurd, werd  door de Statencommissie ook nader uitgeplozen.

Keuken in een van de barakken

SELECTIE
Met het uitblijven van acceptabele oplossingen voor beide partijen, verzocht de di­rectie van CSM, bij monde van mr. Panthaleon baron van Eck, aan de procureur-ge­neraal mr. Van der Laan om medewerking van de politie om uit de stakende Chi­ne­zen de werkwilligen te leiden. Op 18 april werd hiertoe hoofdagent van politie Dijkstra naar het kamp gestuurd. Die keerde onverrichter zake terug, ‘aangezien de Chinee­zen elke medewerking weigerden en één agent niet in staat was ruim 400 man te scheiden’.

      De directies van CSM en CPIM verzochten vervolgens om ‘een stevige politie­macht voor maandag 20 april dezer, teneinde de scheiding desnoods met geweld door te voeren’. Hoewel gouverneur Wouters nog de voorkeur uit­sprak voor verder onderhandelen en bemiddeling, werd de wens van de directie om ‘een flink machts­vertoon’ door de procureur-gene­raal, de AMC en, mogelijk onder licht protest, de gouverneur toch gehonoreerd. Het moet in de praktijk vrijwel onmogelijk zijn geweest een ‘verzoek’ van CPIM/CSM te weerstaan.

Was- en strijkruimte in een van de barakken

      Op de beoogde maandagmorgen arriveerden dan ook een achttal leden van de Vreemdelingendienst van het Korps Burgerpolitie bij het kamp, waarbij ’12 man mili­taire politie met volle bewapening als machtsver­toon’ aanwezig was. De CPIM had nog enkele bewa­kers ter assistentie meegezon­den.
      Later zou de Statencommissie oordelen, dat in­dien de bestuurlijke autoriteiten beter geïnformeerd waren geweest, zij zouden heb­ben begrepen dat een dergelijk machts­vertoon ‘prikkelend in plaats van dwingend’ zou uitpakken en strate­gisch ‘kin­derlijk naïef’ is.

PROCES-VERBAAL
In het proces-verbaal van de hoofdinspecteur van politie, W.J. van der Kroef, be­gon de bedoelde scheiding in alle rust met het aanspreken van een woordvoerder van de Chinezen, die ‘zeer goed verstaanbaar Nederlansch en gebroken Engelsch sprak’. Hem deed Van der Kroef het verzoek om aan zijn landgenoten door te ge­ven dat zij verwacht werden één voor één voor de tafel van de hoofdinspecteur te komen en zouden aangeven of zij wensten te werken. Werkwilligen zouden naar een ander kamp worden gebracht.     
Nadat de woordvoerder zijn kampgenoten had toege­sproken in het Chinees, zelf als eerste naar de tafel van Van der Kroef was gegaan en onder begeleiding van een militaire politieman naar de plek binnen de omheining liep waar werkwilligen zouden worden gegroepeerd, ‘schreeuwde deze man luidkeels eenige voor ons onverstaan­bare woorden.’ Van der Kroef beschrijft vervolgens wat er zijns inziens gebeurde in de opvolgende vijf minuten.

Leden Korps Militaire Politie / foto uit de collectie Antheunissen Leiderdorp

‘Direct na dit geschreeuw stormden al de wachtende Chineezen gezamenlijk naar de tafel en naar de toeganspoort. Ik zag hierbij, dat de naar ons toestormende Chi­neezen stukken ijzer, pijpen, steenen en stokken bij zich hadden en met deze voor­werpen boven hun hoofden zwaaiden. De aanval was zoo onverwachtsch en over­donderend, dat een georganiseerd tegenoptreden van politiezijde op dat moment reeds onmogelijk was. (…)’
      ‘Op een zeker oogenblik was de toestand zelfs zoodanig, dat wij de toegangs­poort tengevolge van opeenhooping van Chineezen daar ter plaatse niet meer kon­den bereiken, zoodat wij ons omringd gevoelden door moordzuchtige tegenstanders. Het is dan ook uitsluitend aan het gebruik van de ons toen ter beschikking staande wapenen te danken, dat wij van den toestand meester konden blijven en ons zelf in veiligheid konden stellen. Hadden wij ons niet op zoodanige wijze te­gen deze als razenden vechtende Chineezen verdedigd, dan waren alle zich in het kamp bevin­dende politiemannen het slachtoffer van hun moordlust geworden. Tengevolge van ons krachtdadig optreden retireerden tenslotte bedoelde Chinee­zen, waarna ik be­merkte dat er verschillende dooden en gewonden op de plaats van het gevecht la­gen.’

Openbare begraafplaats Kolebra bèrdè / foto  ©  Aart G. Broek

BONDGENOOT
Het proces-verbaal vervolgt met de vermelding van het aantal doden en gewon­den onder de Chinezen, detaillering van de gewonden onder de politie en hun letsel, hun vervoer naar het St. Elisabeth ziekenhuis en het Sanatorium. Van der Kroef infor­meerde de commandant van het Korps Militaire Politietroepen, E.L. Venema. Die spoedde zich vervolgens naar het kampement en nam de leiding op zich. Vervolgens werd, zo vertelt een conceptverslag, ‘het separeeren der Chineezen zonder verdere incidenten volbracht’.

China toonde zich bij monde van haar gezant Wunsz King zeer verbolgen, temeer daar dit ‘Chinezenconflict’ niet het enige met Chinese bemanning op Nederlandse schepen was. Op 7 maart 1942 had in Alexan­drië, Egypte, al een protestactie geleid tot de dood van twee en de verwonding van vier Chinezen op het Nederlandse schip Ovula. Kort daarop, op 31 maart, uitten in Freemantle, Australië, Chinese zeelui aan boord van het Nederlandse schip Saroena hun onvrede.
      In de loop van het jaar konden de onderlinge spanningen tussen China en Nederland worden bijgelegd, maar niet nadat ‘de meest ge­hate figuur uit de CSM-directie verdween’, i.c. mr. Panthaleon baron van Eck. Bovendien werd aan enkele van de belangrijkste veilig­heids- en sociale eisen van de ‘onwillige schepelingen’ voldaan.

***

CHINESE ZEELIEDEN BEGRAVEN in Kolebra bèrdè
Op 21 april 1942, een dag na hun dood, werden op de openbare begraafplaats Ko­lebra bèrdè begraven: Hu Chen-lin (geb. pro­vincie Anhwei, 1913), Yu Sio Kan (Che­kiang, 1903), Lam Chun (Kwang­tung, 1897), Tchou Zao (Kwangtung, 1886), Huang Yu-seng (Kwantung, 1894), Chong Fat (Kwangtung, 1897), Lee Chuan (Kwangtung, 1897), Kuang King (Kwangtung, 1902), Wang Ah-kuo (Fukien, 1896), Au Liang (Kwangtung, 1895), Hsu Kwang-yung (Che­kiang, 1901), Chan Yam-syo (Kwangtung, 1908). Op res­pec­tieve­lijk 23, 25 en 27 april overleden Feng Che-ying (Chekiang, 1905), Chang Mang (Kwangtung, 1888) en Lam Nan (Kwangtung, 1908), waarna ook zij successievelijk werden begraven in de chiké.

Deze bijdrage is gebaseerd op onderzoek dat uitgebreid is verwerkt in: Aart G. Broek, Geboeid door macht en onmacht; De geschiedenis van de politie op de Nederlands-Caribische eilanden. (Amsterdam, 2011). Hierin ook verwijzingen naar de geraadpleegde archieven.

Bijgaande foto’s zijn afkomstig uit het Nationaal Archief, Den Haag, nr. 2.05.80, inv. 4027, map 2, tenzij anders vermeld.

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Agressiebeheer & veiligheid, Nederlands-Caribische eilanden: verleden & heden, Nieuws met de tags , , . Bookmark de permalink.